Groningen is nog steeds geneigd om zich ‘architectuurstad’ te noemen, maar we moeten helaas constateren dat deze architectuurstad enkel nog op papier bestaat, in de hoofden van bestuurders wellicht, of in de ideeën en wensen die wij als vakbroeders tegen beter weten in hoopvol tegen elkaar blijven uitspreken. Een ‘stad met architectuur’ zijn we nog steeds, maar een architectuurstad, waarin het ontwerpen aan de stad structureel op de agenda staat en de aandacht voor architectuur fundamenteel onderdeel is van stedelijk beleid en stadsontwikkeling? Nee, helaas, de resultaten van de afgelopen jaren staven deze bewering gewoonweg niet.
Een bewust ingezette ontwikkeling is dit wellicht niet, maar wanneer we kritisch naar onze praktijk kijken, ontwaren we een aantal ‘frustrerende’ tendensen. Onze ontwerp-oefeningen maken zich los van de stad, alsof de liefde voor ons vak heeft plaats gemaakt voor gemakzucht.
Projecten worden onbeholpen in de context gesitueerd, geven blijk van verbeeldingsloosheid, hebben een inwisselbaar en veelal uitgesproken tijdelijk karakter, met schrale ruimtes en de ‘verkartonisering’ van Groningen tot gevolg: niet alleen de kwaliteit van onze ontwerpen, ook die van de uitvoering is op een historisch dieptepunt beland. Het publieke karakter van de architectuur lijkt te zijn verruild voor een individualistisch vormen-spel, de karakteristieke, duizend jaar stedelijke ontwikkeling van Groningen onwaardig.
En het is alsof we liever wegkijken, onbesuisd ons werk doen zonder goed om ons heen te kijken. Onder invloed van politieke en maatschappelijke onlusten verliest de architectuur het van proceszorg en bouwmanagement; het ontwerpen en bouwen is amper aan elkaar gerelateerd. Ontwerp- en tekenbureaus zijn verworden tot papieren bureaucratieën, bekommeren zich niet om de uitvoering of bijdrage van hun architectuur aan de stad, gebruiken ‘marktwerking’ als verantwoording voor een opportunistische bedrijfsvoering.
Hebben we een praktijk opgetuigd die de aandacht afleidt van de werkelijk bijdrage van ons werk aan het stedelijk weefsel, die onverschillig is voor de positie en betekenis van architectuur als onderdeel van de stad? Voor zo ver er nog een architectuurvertoog is in Groningen, is de aandacht voor het specifieke karakter van ons vakgebied volledig verdampt.
In een stad die zich City of Talent noemt, is dit voor de architectuur een karige score. We hebben de mond vol van kenniseconomie en ‘bouwoffensief’, maar maken ondertussen woningen waar de bedenkers van het Existenzminimum zich voor zouden schamen. We praten over geld, op momenten dat we eigenlijk over de kwaliteit van onze plannen moeten praten.
En dat is raar, want aandacht voor de architectuur van de stad is niet alleen van belang voor onze vakgemeenschap. De stad is een publieke plek bij uitstek, waarin iedereen gebaat is bij een hoogwaardig ingerichte ruimte. Weloverwogen aandacht voor het ontwerp is van belang voor het wonen in de stad, voor de kwaliteit van leven, voor de waarde van de stad als geheel. Juist omdat de stad een collectief ‘bezit’ vertegenwoordigt, baart de huidige praktijk ons zorgen – zorgen die tot de vier punten van dit architectuurmanifest hebben geleid.