Door die werkwijze zijn Plečnik, Scarpa en Palladio met hun oeuvre stuk voor stuk nauwelijks representatief voor een stroming, stijl of periode. Toch zal niemand ontkennen dat ze onmiskenbaar van betekenis zijn voor de discipline en tot de belangrijkste architecten uit de geschiedenis behoren.
Natuurlijk hangt het unieke karakter van hun oeuvres mede samen met het unieke karakter van het type opdrachten dat ze kregen: in tien dagen tijd zagen we vooral villa’s, palazzi en woonhuizen, afgewisseld met publieke werken als bibliotheken en musea, bruggen, openbare ruimtes en parken, kerken, monumenten, graven en begraafplaatsen. Niet het doorsnee-repertoire van de gemiddelde architect, kortom.
De verhouding tussen expliciete bezieling in het werk van deze architecten en de architectuurgeschiedenis is desalniettemin een interessante, één die ik in de zoektocht naar ‘het ongrijpbare’ graag verder wil verkennen. Deze verhouding roept immers de vraag op in hoeverre we als geschiedschrijvers, maar eigenlijk ook als ontwerpers, op een open en wetenschappelijke manier kunnen bijdragen aan de praktijk.
Als architectuurhistorici zijn we welbeschouwd opgeleid aan de hand van een reeks gebouwde incidenten. Het zijn meestal juist de kwalitatief hoogwaardige uitzonderingen, die weliswaar een periode of gedachtegoed het beste tot uitdrukking brengen, maar doorgaans niet representatief genoeg zijn voor alles wat er in diezelfde periode of vanuit dat gedachtegoed is gebouwd. Daarmee ontstaan vaak coherente verhalen, maar eindigt de geschiedschrijving niet.