FORMEEL VERZET?
Heeft een benadering die onmiskenbaar geworteld is in de jaren 80 van de vorige eeuw nog relevantie voor de huidige ontwerppraktijk? Een kritische ontwerppraktijk moet altijd bemiddelen, zoals Frampton het zei, om te voorkomen dat architectuur gepolariseerd raakt tussen een geglobaliseerde ‘high tech’-benadering enerzijds (de toekomst) en anderzijds het gebruik van compenserende façades (het verleden) om de harde realiteit van een universeel productieproces te maskeren.
Geen van deze uiterste benaderingen achtte hij op zichzelf vruchtbaar, ze waren naar zijn mening een veel te oppervlakkige interpretatie van het regionalisme. Hoewel Frampton het kritisch regionalisme onderscheidde van de holle retoriek die het populisme zich eigen maakt – alsof we met architectuur bepaalde ideeën of theorieën illustreren – heeft het er alle schijn van dat deze eenzijdige lezing nu het debat bepaalt.
“We moeten op zoek naar de continuïteit van de morfologie en naar de functionele coherentie als fundament voor de stedelijke structuur”
Het lijkt er namelijk op dat we erg gericht zijn op de architectonische verschijningsvorm, op het vocabulaire en de vormprincipes van de stad. Terwijl we eigenlijk op zoek moeten naar de continuïteit van de morfologie en naar de functionele coherentie als fundament voor de stedelijke structuur. Gaan we hieraan voorbij, dan wordt het debat banaal, een tikje ordinair zelfs. Dan vallen we als beroepsgroep ten prooi aan wat Frampton de ‘demagogische tendensen’ van het populisme noemde, zodra politici zich in de discussie mengen.
NUANCE
Job Floris van Monadnock nuanceerde deze uitersten onlangs gelukkig, in een interview met NRC. De New Dutch kan wel iets meer van de bravoure van de Superdutch-generatie gebruiken, stelde hij. Architectuur is tenslotte niet alleen dienstbaar, maar heeft ook een culturele agenda.
Architectuur hoeft ook helemaal niets te verenigen, zou ik eraan willen toevoegen, we kunnen onze tijd niet vooruit zijn. Gelijktijdigheid en complexiteit zijn een verrijking; beperken we ons tot een ‘richting’, dan ontstaan de dogma’s.
Als we blijven hangen in gesteggel over oud en nieuw of lokaal en mondiaal, dan gaan we bovendien voorbij aan de vraag in hoeverre een dergelijk debat bijdraagt aan antwoorden op de opgaven van onze tijd. Het is eerder alsof we ons daarmee vrijwaren van de vraag hoe we met ons werk bijdragen aan de sociale, functionele of economische context.
DE STRUCTUUR ALS BASIS
De bestaande stedelijke context is altijd de moeite van het bestuderen waard, niet zozeer om ‘de taal’ te spreken als wel om de structuur en samenhang ervan te begrijpen. De stad vertegenwoordigt denkbeelden, gewoontes en ervaringen die allemaal sterk zijn geworden in architectonische tradities. Het zou wat waard zijn om een contextueel georiënteerde praktijk weer vanuit dit principe te beschouwen. Zeker in Groningen heeft het debat lange tijd deze aandacht gehad.
Al in de jaren 80 riep de lokale scene op om de stad te zien als meer dan een aaneenschakeling van bouwprojecten. De basis moest een samenhangend stelsel van openbare ruimtes zijn. Gevels – ook al zijn ze gesigneerd door rondreizende sterarchitecten – maken de stad niet, zeker niet als we de gewilligheid zien waarmee architecten zich voegen naar de grillen, modes en maatschappelijke krachten.
De Groningse vakgemeenschap ageerde daarmee ook tegen de opkomende praktijk van bestuurders om ontwikkelingen van elders te kopiëren en om architectonische objecten van ontwerpers van buiten Groningen te ‘verzamelen’, als ware de stad een kwartetspel. Maar wat de vakwereld in Groningen vast niet bevroedde, was dat 35 jaar later de meest Groningse architect nog altijd een Italiaan zou zijn.