SOFA

Forum Groningen

Groningen

Met de realisatie van het Forum kwam een nieuw type openbare ruimte tot leven, waarin de traditionele grenzen tussen culturele functies vervagen. Want het Forum is geen bibliotheek, geen museum, geen film­ huis en geen zalencentrum. Op dezelfde manier is Forum Groningen geen architectuur­boek, geen tijdschrift, geen krant, periodiek of review. Het is een bundeling van uiteenlopende teksten, beelden en illustraties die de klassieke architectuurpublicatie ontstijgt. De serie beeld­rijm waarmee het boek begint, vormt de opmaat van een zoek­tocht naar het ontwerp van het Forum; naar de vorm, de constructie, het materiaal, de bouw, de beleving en de plek van het gebouw in de stad. Hoewel uitbundig in samenstelling zijn de verhalen nauwkeurig met elkaar verweven en geordend in drie delen: stad, ontwerp en gebruik.

Als het Forum de versteende versie van Wikipedia is, waar we eindeloos doorheen ‘browsen’ en per definitie meer vinden dan we zoeken, is Forum Groningen het tweedimensionale register, in woord en beeld, waarmee we het gebouw en zijn ontstaan kunnen verkennen. Aan de hand van grondige analyses, beeldverhalen, essays, bespiegelingen, columns, interviews en een gedicht belicht een scala aan auteurs van diverse pluimage, met verschillende perspectieven, het omvattende spectrum dat het Forum is geworden. Vele gezichten van het gebouw zijn geportretteerd. Zoals het Forum zelf de typisch Groningse pleinenreeks met een publiek, verticaal te doorkruisen landschap van openbare ruimte heeft verrijkt, biedt Forum Groningen steeds wisselende panorama’s op het gebouw in de stad, om zo de uitwisseling van kennis en ideeën erover te katalyseren.

Hoofdstuk 2

Voorpublicatie

Het ontwerpconcept ontrafeld

Schrijven we architectuurgeschiedenis aan de hand van iconen? Of doen we dat met behulp van een palet aan elkaar opvolgende, vaak onbelichte gebeurtenissen en ideeën, waaruit een ontwikkelingsgang blijkt die de optelsom van bescheiden historische momenten ruimschoots overstijgt? Als geschiedschrijvers richten we ons doorgaans op de gebouwde incidenten: de kwalitatief hoogwaardige uitzonderingen, die weliswaar een periode of gedachtegoed uitstekend tot uitdrukking brengen, maar die nauwelijks representatief genoeg zijn voor wat er in dat tijdsbestek of vanuit die ideevorming is ontstaan. Daarmee vormen zich coherente verhalen, maar vergalopperen we ons ook met architectuurhistorisch determinisme, op basis van bestaande geschiedkundige narratieven. In die historische context is het Forum ongetwijfeld de versteende beeltenis van een nieuw type gebouw: een fenomenaal, solitair cultuurpaleis dat we over een aantal decennia met terugwerkende kracht een importantie zullen toedichten alsof het met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis kwam aangestormd.

Om de specifieke plek van het Forum in ons collectieve geheugen te beschouwen, kunnen we beter nauwgezet naar de omstandigheden kijken waarbinnen het cultuurcomplex tot stand is gekomen. Hoewel het Forum door de oneindige silhouetten onmiskenbaar een iconische waarde heeft, is het veelzeggend dat de architecten van het gebouw het liever als een logo zien; als een embleem dat, meer dan dat het een beeld is, symbool staat voor de culturele en sociaal-maatschappelijke betekenis van het programma. Na decennia van starchitects in een geglobaliseerde beeldcultuur lijkt het woord ‘icoon’ nog amper positieve connotaties te hebben, afgezien van de religieuze betekenis ervan en de kunsthistorische bagage die daarbij hoort.

De uitverkiezing tot BNA Beste Gebouw van het Jaar, waarbij het Forum niet in de categorie ‘Identiteit & Icoonwaarde,’ maar bij ‘Leefbaarheid & Sociale Cohesie’ werd ingediend, onderschrijft deze tendens. Klaarblijkelijk is er behoefte aan een meer genuanceerde blik op beeldbepalende en gewichtige ruimtelijke ontwikkelingen. We behoeden ons ervoor om met de interpretatie van grote gebaren te grote geschiedenishoofdstukken te willen schrijven, zoals bijvoorbeeld het Guggenheim Museum in Bilbao, de ‘moeder aller eigentijdse architectuuriconen,’ ten onrechte verantwoordelijk werd gehouden voor wat het ‘Bilbao-effect’ is gaan heten – alsof het gebouw eigenhandig de stad nieuw leven inblies. In werkelijkheid was het onderdeel van een twee decennia omspannende herstructureringsopgave van het waterfront van de Baskische metropool.

Toch is er een kleine reeks van abstracte illustraties, pictogrammen haast, die symbool staat voor de zoektocht van kleine stappen waaruit het Forum is ontstaan. In die historische realiteit is het nieuwe type cultuurgebouw van NL Architects niet het meestergebaar van de architect- kunstenaar, maar eerder de meest verrassende, overtuigende en onbetwistbare vertaling van het programma. De verwezenlijking en vormgeving ervan was zo lang mogelijk uitgesteld, om nieuwe vormen van ruimtegebruik in het openbare domein te kunnen aftasten. Achteraf beschouwd was NL Architects de gedoodverfde winnaar. De onderzoekende en onconventionele ontwerpmethode waar het bureau om bekendstaat, had tot een logo geleid dat perfect leek aan te sluiten op datgene waar Groningen naar op zoek was. Hoe abstract de pictogrammen ook zijn, zonder die treffende beelden was het Forum zoals we dat nu kennen er vast niet geweest.

Abstracte beelden voor een onbegrensde zoektocht

Net als alle andere inzenders presenteerde NL Architects in november 2006 zijn ontwerp aan de beoordelingscommissie onder leiding van Wytze Patijn. De architecten gebruikten vier krachtige beelden als inleiding op hun toelichting:

1) een silhouet op basis van de contouren van het ontwerp, met daarin de hoofdstructuur van openbare ruimtes van de binnenstad uitgesneden;

2) een silhouet op basis van de contouren van het ontwerp, met een amoebe-vormige uitsnede waardoorheen een stadsplattegrond van een deel van de binnenstad te zien was;

3) een silhouet van het gebouw inclusief ‘sleutelgat’ met daarop een andere amoebe- vormige vlek, namelijk die uit Plakat Basel van dada-kunstenaar Jean Arp;

4) een silhouet van het gebouw inclusief sleutelgat, waardoorheen een iets grotere uitsnede van de stadsplattegrond van de binnenstad te zien was.

Met de vier beelden speelde het bureau strategisch in op het verlangen van de stad om ruimtelijk en programmatisch op onderzoek uit te gaan. Want hoe ging dat eigenlijk, een gebouw bestellen waarvan niet exact duidelijk was wat het moest zijn? Dat de gemeente en de betrokken culturele instellingen in plaats van helder afgebakende, eerder onbegrensde ideeën hadden over de nieuw te vormen functie-constellatie en het bijpassende type gebouw, zagen ze niet als een gebrek maar juist als een potentie van de meervoudige opdracht. Van de ontwerpers werd verwacht dat ze met behulp van programma-analyse, hun eigen conceptueel vermogen en de interactie met de opdrachtgever zouden bijdragen aan de visievorming en uitwerking van het Forum. NL Architects stond inmiddels bekend om de manier waarop ze opgaven altijd verder brachten dan voorzien. Ervaren waren ze niet op het vlak van omvangrijke, samengestelde culturele functies, maar ze hadden wel laten zien dat ze opdrachten onafhankelijk en grensverleggend benaderden. Vaak combineerden ze gegeven opgaven met functies die helemaal niet gevraagd waren en zorgden ze ervoor dat de synthese ervan veel meer werd dan de som der delen, dikwijls met een verrijking van de publieke ruimte als gevolg.

Wat in de presentatie op die eerste beelden volgde, was een onvergetelijk verhaal over een buitengewoon gebouw. Het bureau wist de niet bepaald alledaagse structuur en organisatie van het vindingrijke ontwerp met behulp van vorm- en functieschema’s, tekeningen, bescheiden visualisaties en maquettefoto’s inderdaad terug te brengen tot een helder en krachtig logo. Ook hadden de architecten veel aandacht voor de later tot sferen en uiteindelijk tot pleinen omgedoopte ‘domeinen,’ waarmee ze de potentie van het functionele samenstel ruimtelijk verkenden. De presentatie en het ontwerpconcept leken samen te vallen. Dat we hier met een gedenkwaardig moment te maken hadden, daarvan was vast niet iedereen zich bewust. Terugkijkend blijken de vier ‘iconische’ beelden van de inleiding het inhoudelijk fundament van het ontwerp bloot te leggen: de studie naar de overlap van stedelijke ruimte en een veelzijdig cultureel programma, maar dan in een gebouw. Twee documenten waarin een vergelijkbare beeldtaal opvalt, gingen aan deze onbevangen zoektocht vooraf.

De morfologie als vertrekpunt

Hoe zorgvuldig NL Architects het ontwerp en de organisatie van het samengestelde programma in die eerste presentatie ook toelichtte, maar weinigen zullen zich een goede voorstelling hebben kunnen maken van hoe het Forum precies zou uitpakken, of wat het plan überhaupt precies behelsde. Door een nog onbekende menging van cultureel programma en de baanbrekende ruimtelijke vertaling die daarvoor was bedacht, was het ontwerp moeilijk voorstelbaar. Het plan bleef voor velen net zo abstract als de pictogrammen waarmee de architecten hun verhaal hadden afgetrapt. Lange tijd was de kritiek op het Forum dat het gelaagde en veelzijdige programma te weinig tastbaar was. Het idee leefde dat het ‘alleen nog maar’ een gebouw was, zelfs tijdens de uitvoering. Aangezien de ontwikkeling van programma en gebouw gelijk opgingen, was die zorg best voorstelbaar. Toch kunnen we die grondige verkenning ook als de kern van de opgave zien, van waaruit een samenhangend ruimtelijk en functioneel concept ontstond.

Door critici werd het feit dat de nieuwe culturele trekpleister niet vastomlijnd gedefinieerd was als zwaktebod ontvangen. Het open en onbevooroordeeld perspectief op de opgave volgde evenwel logischerwijs op de Studie Grote Markt Groningen uit mei 2003, waarmee de ruimtelijke geschiedenis van het Forum begon. Na twee jaar ideeën en adviezen over de toekomst van de oostzijde van de Grote Markt te hebben verzameld, vroeg de gemeente Neutelings Riedijk Architecten om de ontstane denkbeelden te vertalen in ruimtelijke modellen. Tot de essentie van de studie behoorde de vraag wat de stedenbouwkundige consequenties van een nieuw publiek cultuurgebouw aan de oostzijde van de Grote Markt zouden zijn. De denkrichting voor de samenstelling van het gebouw werd bepaald door vijf verschillende functies: een muziek- en theatercentrum, een bibliotheek, een centrum voor geschiedenis, een commerciële ontwikkeling met een warenhuis, of een gemengde ontwikkeling met kleinere functies. Een nog weinig nauwkeurig bepaalde opgave, kortom.

De architecten combineerden de hoofdvraag met een grondige ruimtelijke studie naar de structuur, vorm en het functioneren van de binnenstad en het bouwblok, binnen de context van de historische ontwikkeling. Na een beknopt gegevensonderzoek en een schematisch programmaonderzoek poneerden ze een stelling: morfologie ≠ programma. Gevolgd door een korte verkenning van referenties op de locatie baanden ze daarmee de weg voor een uitvoerig morfologisch onderzoek, dat de opmaat vormde voor wat ze het ‘morfologisch transformatiemodel’ noemden. Tegen de opdracht in presenteerde Neutelings Riedijk niet meerdere modellen, maar één ruimtelijke basisstructuur. Daarbinnen konden diverse invullingen een plek krijgen in het door hen als cultuurcluster bestempelde bouwblok. Het bureau ontwikkelde daarmee een ruimtelijke strategie voor de Grote Markt in het algemeen en voor de oostzijde in het bijzonder, zonder dat deze noodzakelijkerwijze tot onderscheidende ruimtelijke plannen hoefde te leiden.

De Studie Grote Markt Groningen was de eerste concrete verbeelding van de ideevorming omtrent de transformatie van de oostzijde van de Grote Markt. Maar die verbeelding zette het voorziene tijdpad en de beoogde fasering van het project direct op losse schroeven. Aan het einde van de studie stelde Neutelings Riedijk dat het oostelijk blok zich niet zou moeten beperken tot één van de vijf mogelijke functies, maar dat gezocht moest worden naar een synthese van functies, naar een onverwachte samenstelling, een programma met onderdelen die elkaar aanvullen en versterken. Een nieuwe constellatie zou Groningen nog meer op de kaart zetten, de binnenstad versterken en de levendigheid van het gebied rondom de Grote Markt verhogen. Het stedenbouwkundig fundament dat uit het transformatiemodel naar voren kwam, bood veel meer ruimte dan aanvankelijk voor mogelijk was gehouden. Een mix van uiteenlopende functies, verschillend van omvang en type, in verscheidene varianten, was eenvoudig te verenigen—de studie kwam dus op het juiste moment en ging veel verder dan voorzien, juist omdat er nog geen nauw omschreven opgave aan ten grondslag lag. Het onderzoek van Neutelings Riedijk werd met enthousiasme en waardering ontvangen en bracht de gemeente tot nieuwe opvattingen over de schaal en termijn van het project. De studie had zo veel ideeën en inzichten verenigd, dat een ‘trendbreuk’ acceptabel was en procesmatige koerswijzigingen onvermijdelijk waren. Maar voor het Forum in retrospectief nog veel interessanter dan het morfologisch basismodel, de proefinvullingen of de verkenning van de varianten, waren de functieschema’s met amoebe-vormige vlekken: deze zouden de principes van het stedenbouwkundig model kracht bij zetten.

Een niet-bestaand functieconcept

Het kost weinig moeite om in de functieschema’s met de ‘synthese-vlekken’ van Neutelings Riedijk een aankondiging van het Forum te zien, bijna een voorbode van wat het Forumlogo zou worden. Wie door de oogharen naar de schema’s kijkt, kan er met enig voorstellingsvermogen zelfs een doorsnede van het gebouw in zien. De principes van het gebouw worden daarin op onstoffelijke, maar ondubbelzinnige wijze kenbaar gemaakt. Het is veelzeggend dat de schema’s van Neutelings Riedijk en die van NL Architects een vergelijkbaar verhaal lijken te vertellen, terwijl de ontwerpers de studie niet als context voor de meervoudige opdracht meekregen. Los van het ruimtelijk model lijken de resultaten van het functionele onderzoek uiteindelijk te zijn samengebald in één bestaand, non-figuratief referentiebeeld.

De studie van Neutelings Riedijk eindigde met een aantal haast retorische vragen, dat de kern van de studie nog eens samenvatte en als leidraad voor het vervolg kon dienen.

¿ Willen we een levendige en nog altijd compacte stad, met de belangrijkste openbare en culturele functies in het centrum? Of accepteren we een meer uitgespreide stad, met een aantal belangrijke openbare en culturele functies in de periferie?

¿ Willen we een levendig oostelijk blok om de centrumfunctie van Groningen te versterken, of willen we slechts beperkte ruimtelijke en functionele wijzigingen doorvoeren?

¿ Willen we, puttend uit de verschillende programma’s, tot één inspirerend samengesteld programma komen, of moeten we ons beperken tot een van de vijf?

In een stad die sinds de jaren tachtig actief het beleid van de compacte stad had omarmd, waren dat natuurlijk geen moeilijke vragen.

Over een periode van zo’n drie jaar werkte de gemeente op basis van de studie van Neutelings Riedijk aan het stedenbouwkundig plan en het Concept Programma van Eisen ten behoeve van de meervoudige opdracht voor het Groninger Forum. De principes van het stedenbouwkundig plan volgden het transformatiemodel van de studie. Ze werden in de bijlage aangevuld met een verbeelding van de stedenbouwkundige uitgangspunten voor het Forum. De uitgangspunten dienden als kader voor de prijsvraag en vormden een illustratie van de gewenste ruimtelijke eigenschappen van het cultuurgebouw, binnen de context van het bouwblok en de binnenstad. Anders dan in de studie van Neutelings Riedijk had het culturele programma zich niet als een vlek over het bouwblok verspreid. In het stedenbouwkundig plan was een brede functionele samenstelling nog steeds het vertrekpunt voor de transformatie als geheel, maar een nieuwe configuratie van het cultuurprogramma had zich in het hoofdvolume van het basismodel gecondenseerd, in de oostelijke helft van het bouwblok.

De suggestie van Neutelings Riedijk om een samenstelling van functies te realiseren, had zich in de voorbereiding op het referendum over de gehele ingreep ontwikkeld tot ‘Huis van Informatie en Geschiedenis,’ later omgedoopt tot het Groninger Forum. Het moest, meer dan een optelsom van culturele functies, een plek worden waar de uitwisseling van kennis en informatie centraal stond. De overlap van verschillende functies en voorzieningen zou voor een uiteenlopend scala aan activiteiten zorgen: van boeken lenen, informatie zoeken en studeren tot het bezoeken van conferenties, lezingen, debatten, films of exposities. In feite was daarmee een functieconcept ontstaan dat niet bestond en waarvan het Groninger Museum, de Openbare Bibliotheek, Filmhuis Images en de Groninger Archieven partners van het eerste uur waren. Daarnaast werden als participanten onder andere het Scheepvaartmuseum, de Rijksuniversiteit en de Hanzehogeschool, alsmede debat- en kenniscentra zoals Studium Generale en Dwarsdiep genoemd. Met een zorgvuldig gecombineerd en geïntegreerd programma moest het Forum de individuele functies overstijgen en ze toegankelijk maken voor een breed publiek, zo luidde de missie in het programma van eisen.

Uit het verder vrij droog en zakelijk opgestelde programma van eisen bleek een nog onbestemd idee over de synthese van functies. Tegelijkertijd werd uitgebreid stilgestaan bij de individuele omschrijving van de partners en mogelijke participanten, evenals bij de samenstelling van de individuele collecties. De gezamenlijke bedrijfsvoering kwam aan bod en er waren duidelijke ambities voor de huisvesting. De identiteit van het Forum kreeg aandacht, net als de rol van het cultuurcomplex als drager van de herontwikkeling en de wens om met het gebouw de internationale architectuurstatus van Groningen te verhogen. De best verwoorde ambitie in het programma was wellicht dat het gebouw geen optelling van de huisvestingsbehoefte van de partnerorganisaties mocht worden, maar een internationaal voorbeeld moest zijn van het integreren van meerdere functies in één gebouw: een nieuw archetype, waarin de organisaties niet alleen huisgenoten waren, maar daadwerkelijk samenwoonden. Hoewel er bij de beschrijving van de te huisvesten functies veel aandacht was voor de domeinen bleef het ook hier bij suggesties en voorbeelden. Het was onbekend terrein. In de kantlijn werd de huisvestingsfilosofie met afbeeldingen ondersteund: het Guggenheim Museum in Bilbao, de Public Library in Seattle, het Centre Pompidou in Parijs; op onderdelen allemaal interessante referenties, maar eigenlijk niet voor wat het Forum moest zijn. Tussen die spaarzame beelden was vooral het ontastbare Plakat Basel van Jean Arp opvallend, een beeld dat in aanvulling op de voorzichtige, zoekende omschrijving van de missie ook voor de verbeelding van het functieprincipe werd gebruikt. Het is daarmee de enige afbeelding die twee keer in het programma van eisen voorkomt. Bij de verbeelding van de missie is het kunstwerk voorzien van een onderschrift: ‘Meerdere individuen maken een nieuwe identiteit.’ Als illustratie bij de te huisvesten functies staat het woord ‘integratie.’

Het onstoffelijk fundament

Misschien is het tekenend voor de ontwikkeling van een nieuw type cultuurgebouw dat een abstract kunstwerk uit de jaren zestig, gemaakt voor een tentoonstelling in de Kunsthalle van Basel, de meest exemplarische verbeelding vormt van de relatie tussen de stedenbouwkundige studie, het programma van eisen en het uiteindelijk gerealiseerde ontwerp. Wie de beelden naast elkaar ziet, zal niet snel vermoeden dat we naar de ontwikkelingsgang van een grensverleggend gebouw kijken. We wanen ons eerder terug in die kunsthal, alsof we een heropleving van het dadaïsme bijwonen, met de ingehouden humor die daarbij past. Bij de presentatie van het prijsvraagontwerp viel het nog niet op, maar met de beschouwing van het voortraject springt in het oog hoe de beeldtaal en de gehanteerde schema’s in elke fase sprekend de gezochte ruimtelijke principes weergeven. Door de kracht van de verbeelding valt op hoe gericht het ontwerp van NL Architects antwoord heeft gegeven op de prijsvraag en hoe constant de lijn is tussen de studie, het programma en het gebouw, ondanks de niet altijd grijpbare ideeën en omschrijvingen die het traject begeleidden.

De kunstzinnige beeldenreeks representeert daarnaast zowel op stedenbouwkundig als op functioneel en typologisch niveau het oprechte onderzoek naar de juiste ontwikkeling op de juiste plek – een opgave die de locatie in zekere zin sinds de wederopbouw parten heeft gespeeld. Het getuigt van enige brutaliteit om lang in abstracte beelden en begrippen te blijven zoeken, waardoor in eerste instantie het antwoord op een gestelde vraag niet dichterbij komt, maar de mogelijkheden van de opgave wel duidelijker worden. Hoe lang gaat zoiets duren? Hoe geloofwaardig blijft die zoektocht? Niet iedereen verbindt zich vol overgave met een vraagstuk, wil ontwerpend blijven verkennen, wil zoeken naar what’s behind the curtain. Waarschijnlijk houden de meeste mensen van dat gordijn, biedt het ze stabiliteit en definitie. Maar het ontwerp van NL Architects zou het gordijn openen – en vervolgens het gordijn achter dat gordijn.

De zoektocht naar het juiste culturele programma en de ruimtelijke vertaling daarvan had Neutelings Riedijk geïnspireerd om een solide stedenbouwkundige basis te creëren, die juist liet zien dat een combinatie van verschillende culturele en commerciële functies mogelijk was. Als de reeks van iconische illustraties iets verbeeldt, is het wel dat de knappe samenhang tussen de ruimtelijke en functionele principes van de studie direct invloed lijkt te hebben gehad op het programma en het ontwerp van het Forum. Het basismodel van Neutelings Riedijk werd als stedenbouwkundige opzet overgenomen, al zijn de functies binnen het bouwblok iets strikter van elkaar gescheiden. Het plan van NL Architects hanteert in wezen hetzelfde organisatieprincipe, waarbij de functievlek van het schema—in de studie van Neutelings Riedijk uiteindelijk op de plattegrond van de locatie geprojecteerd—als het ware rechtop is gezet. De vlek heeft zich op die manier tot het inmiddels befaamde ‘sleutelgat’ van het Forum ontwikkeld. De amoebe zou de ‘contramal’ van het atrium worden en vormde eigenlijk de overtreffende trap van de studie, waardoor de voorziene functionele wisselwerking op stedenbouwkundig niveau definitief het gebouw werd binnengehaald. Door deze slimme omkering zijn niet alleen de grenzen tussen functies opgelost, maar is ook een continue lijn tussen stad, plein en gebouw ontstaan; het straatleven is overtuigend het gebouw in getrokken.

Met het ontwerpconcept konden verschillende functies worden samengebald rondom programma- overstijgende pleinen, maar werd tegelijk voorkomen dat het Forum een ‘cultuurverzamelgebouw’ zou worden. Het ontwerp bleek een dynamische stapeling van programmaonderdelen, geordend langs een centrale leegte die als het verlengstuk van het straatleven op de Nieuwe Markt voor zowel de ontsluiting als de overlapping van het rijke culturele leven zorgt. Het lijkt erop dat NL Architects de principes zoals die in de stedenbouwkundige studie waren vastgelegd extreem helder en consequent heeft doorgevoerd—veel beter dan Neutelings Riedijk zelf met de prijsvraaginzending voor het Forum deed. Het advies uit de studie om niet één specifieke functie te kiezen maar op zoek te gaan naar een synthese van functies is door NL Architects tot de kwintessens van het ontwerp gemaakt. Het ademt de principes van het stedenbouwkundig plan. En misschien maakt dit gegeven die eerste beelden van de prijsvraagpresentatie ook zo krachtig, alsof ze daarmee een voorschot namen op de perfecte vertaling van de stedenbouwkundige en programmatische uitgangspunten. Het voorstel van NL Architects was niet alleen een fraaie ruimtelijke interpretatie van de opgave, het was het enige ontwerp dat werkelijk inspeelde op het concept van het Forum en daardoor evident kon bijdragen aan de ontwikkeling ervan. NL Architects maakte de gewenste interactie tussen functies en tussen gebouw en omgeving tot het hart van de opgave, waardoor het programma daadwerkelijk ruimtelijk verweven kon worden met een publiek, verticaal te doorkruisen atrium: een ‘Hoge Markt’ tot op het dak, als een vanzelfsprekende voortzetting van de stedelijke ruimte. Voor het Forum was het gebouw inderdaad een logo geworden. Het zijn kleine, abstracte stappen geweest die NL Architects op grootse wijze heeft weten te verstenen.