Willen we het stadsleven bevorderen, contact aanmoedigen en welzijn en welvaart mogelijk maken, dan zullen we met onze stedenbouw de condities hiervoor moeten creëren. Dit betekent dat we de stad moeten vieren, dat we op zoek moeten gaan naar een doorlopende lijn in onze plannen en dat we de verscheidenheid van het stadsleven een plek moeten geven.
We zullen ontwerpen soepel moeten inpassen, zodat ze plooibaar blijven. Ondanks de uiteenlopende vormen en gelaatstrekken van de stad, moeten we de samenhang van ontwikkelingen blijven waarborgen.
2. CONDITIES
Als we het karakter van de stad belangrijk vinden en de stad als zodanig vieren, dan zullen we met ons vak, met het ontwerp van de stad, de kwaliteit en veelzijdigheid van de stad moeten ondersteunen en dienend moeten zijn aan het wezen van de stad.
Met ons vak scheppen we condities voor de stad en de dynamiek die de stad symboliseert. In dit perspectief op stedenbouw formuleren we uitgangspunten voor het ontwerpen en tekenen aan de stad. Het stedenbouwkundig ontwerp zien we daarbij niet als een luxe, als een weerslag van onze welvaart, maar juist als een voorwaarde daarvoor, als een noodzaak om de complexiteit van de stedelijke ontwikkeling in goede, elkaar versterkende, banen te leiden.
Het stedenbouw-perspectief biedt kortom een grondslag voor het ontwerp zoals we dat in Groningen op stedelijke schaal willen inzetten. We creëren een gezamenlijk gezichtspunt voor stedenbouwkundige opgaven en geven richting aan de manier waarop het stedenbouwkundig ontwerp aanvliegen.
Het stedenbouw-perspectief richt zich op principes, op een basismethode die we daadwerkelijk kunnen hanteren bij het ontwerpwerk van ruimtelijke opgaven in Groningen.
3. CONTINUÏTEIT
Om met onze discipline de condities voor het stadsleven te creëren, moeten we om te beginnen erkennen dat stedenbouw een vak van lange adem is waarin de continuïteit van het stedelijk weefsel centraal staat.
Er gaat veel tijd over stedenbouwkundige ontwikkelingen heen, het is kortom onvermijdelijk dat we met ons werk bijdragen aan de continuïteit van die ontwikkeling en daarmee van de stedelijke context zelf. We hebben naast ruimte met tijd te maken. Stedenbouw is altijd onderdeel van een langer voortdurend verhaal.
De voortgang van de tijd speelt een essentiële rol in ons vak, we ontwerpen en ontwikkelen op de lange termijn, gaan op zoek naar kennis over de stedelijke ontwikkeling, balanceren tussen traditie en vernieuwing en moeten vasthouden aan onze visie om ontwikkelingen een gewenste richting te geven.
In de continuïteit van de stedelijke structuur ontwaren we architectuur als de meest zichtbare context. Niet alleen vormt architectuur letterlijk de continuïteit van de stedelijke ruimte, ook de verhouding tussen terughoudende bebouwing en architectonische uitzonderingen in die ruimte draagt bij aan de samenhang van de stad.
Er is ruimte voor monumenten, specifieke stedelijke momenten en afgewogen architectonische uitzonderingen, maar slechts in verhouding tot de continuïteit van de heersende stedelijke ruimte zijn deze op waarde te schatten. De continuïteit van de stad ontvouwt zich met minimale, bijna ‘gewone’ onzichtbare stappen
4. VEELZIJDIGHEID
Omdat we de continuïteit van de stedelijke context tot vertrekpunt nemen, moeten onze ontwerpen de ruimtelijke en functionele gelaagdheid van de stad omarmen.
Het stedelijk leven is divers en veelzijdig, de ruimtelijke morfologie die daarbij hoort rijk en veelvormig. De intensiteit van het stedelijk leven, de dynamiek van de straat en de menging van functies maakt dat we de stad goed vinden.
Deze opeenstapeling van programma’s, functies en activiteiten zullen we met ons stedenbouwkundig werk moeten bedienen. We proberen ‘monoculturen’ te voorkomen. Er is behoefte aan verschillende stedelijke ruimtes, verschillend in openbaarheid, levendigheid, uiteenlopend van karakter.
Op zoek naar de veelzijdigheid van de stad moedigen we op stedenbouwkundig niveau een verscheidenheid aan typen bebouwing, openbare ruimtes en straten aan. Hiermee ondersteunen we de menging van functies, bevorderen we meervoudig en onvoorzien ruimtegebruik.
Een stedenbouwkundig plan is altijd pluriform, ontwikkeld zich in gebruik en heeft daarvoor onbestemde ruimte nodig: plekken die niet af zijn, van kleur kunnen verschieten, in waarde kunnen dalen of stijgen, plekken waar we ontwikkelingen kunnen uitproberen en waarvan we kunnen leren. Wanneer we de stad als een levend systeem zien, zullen we automatisch ruimte laten aan stedenbouwkundige typologieën en openbare ruimtes die we niet op voorhand kunnen voorzien.
5. FRAMEWORK
De dynamiek van de stad gaat onze verbeelding te boven en daarom moeten we het stedenbouwkundig ontwerp als een framework zien, als de basisstructuur van het stedelijk weefsel.
Met het stedenbouwkundig ontwerp zoeken we naar een robuuste, duurzame basisstructuur waarvan de invulling flexibel, misschien wel tijdelijk, maar in elk geval nooit voltooid is. De basisstructuur van de stad is immers veerkrachtig, in staat gebleken om steeds nieuwe ontwikkelingen een plek te geven.
Het stedelijk bouwwerk bezit een zekere autonomie en vormt als compositie in feite het meest bestendige monument, dat steeds nieuwe functies huisvest, houdbaar is en de capaciteit bezit om het stedelijk leven telkens weer opnieuw vorm te geven.
We stimuleren met het framework de dienende rol van de stedenbouw. Het ontwerp van de stedelijke structuur moet kortom tijdloos zijn, aanpasbaar, duurzaam. Stedenbouw moet verbindingen leggen in de tijd, vooruit durven denken, een flexibel raamwerk mogelijk maken waarin nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen kunnen worden opgenomen.
We zullen de stedelijke hiërarchie van het framework moeten bewaken, ons bewust moeten zijn van de effecten van onze ingrepen op de stedenbouwkundige orde waarin we werken, van de betekenis van onze invloed op verschillende stedelijke structuren. Wat geven we terug aan de stad, wat voegen we toe?
De invloed van ons werk reikt vaak verder dan de locaties waaraan we werken. We werken als stedenbouwers van de grootste structurele orde tot op het kleinste niveau van inrichting, zowel in ruimtelijke als functionele zin. Stedenbouw kijkt vooruit naar nieuwe vormen van ruimtegebruik, zonder dat precies duidelijk is waar de stedelijke ontwikkeling naar toe gaat.
6. SAMENHANG
Stedenbouw beslaat meerdere schaalniveaus en disciplines, dus we streven naar samenhang tussen architectuur, openbare ruimte, infrastructuur en landschap.
Het vakoverstijgende karakter van stedenbouw vraagt om een coherente aanpak van opgaven. We onderzoeken steeds kritisch de verhouding van bebouwing en omgeving. Willen we een zinvolle bijdrage aan ons vakgebied leveren, dan zullen we op zoek moeten gaan naar de samenhang tussen pleinen, parken, straten, stoepen, bebouwing en inrichting.
De bebouwde en onbebouwde ruimtes zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en beïnvloeden elkaar wederzijds. Dit verband is voor de stedenbouw een vanzelfsprekende voorwaarde, maar we hanteren deze relatie niet als een hermetisch gegeven. We stimuleren het onderlinge verband, maar voorkomen dat architectuur en stedenbouw afhankelijk van elkaar worden.
Met stedenbouw zoeken we naar een consistent evenwicht tussen een flexibele basisstructuur, een consistente bouwmassa waaraan we achteloos voorbij kunnen gaan en een diversiteit aan iconische uitzonderingen.
Het streven naar ruimtelijke samenhang ondersteunt de strategische doelstelling van de stedenbouw. We moeten onze stedenbouwkundige ontwerpen voeden met sociale samenhang en betrokkenheid; de stad moet voor iedereen aantrekkelijk zijn, toegankelijk, leefbaar en openbaar. Stedenbouw balanceert op functionele, sociale en maatschappelijke doelen, moet op basis daarvan genuanceerde ruimtelijke afwegingen maken.
Daar waar ruimtes in elkaar overgaan definiëren we de mogelijkheden van ons vak; in de overgangen van de openbare naar de publieke en private ruimte, in de schaalsprongen van de grote, structurerende ruimtes, de ruimtes van straat en stoep, naar de kleinste privé-ruimtes van tuin, entree en interieur.
Wanneer we samenhang nastreven proberen we grip te krijgen op het omvattende karakter van ons vakgebied. We trekken een doorsnede over de stad en zien hoe de gevels van onze gebouwen de openbare ruimte vormen, twee kanten op werken en informatie geven over hoe mensen zich gedragen, over de relatie tussen bebouwing en straat en over het leven binnen en buiten.
Zolang we deze stedelijke dynamiek voor ogen houden, ons beseffen dat we het leven voor en achter de gevels met onze plannen verbinden, kunnen we met ons stedenbouwkundig ontwerp bijdragen aan de kwaliteit en kenmerken van de stad.
7. STRAATLEVEN
Onze plannen zijn pas geslaagd, als we dat aan de kwaliteit van het straatleven kunnen merken; aan een levendige relatie tussen bebouwing en openbare ruimte.
Met stedenbouw geven we vorm aan de openbare ruimte, bedienen we de straat, wordt het stadsleven waaraan we willen bijdragen, zichtbaar. In de openbare ruimte wordt ons werk tastbaar. We bemiddelen tussen openbare, publieke en private ruimtes en creëren hiërarchie in de ruimtelijke opbouw van de stad.
Stedenbouw belichaamt een wisselwerking tussen bebouwing, straten en open ruimtes – een wisselwerking die het gebruik van de stad, de intensiteit en gelaagdheid van het leven op straat beïnvloedt. Als stedenbouwers richten we ons op de relatie tussen de bebouwde en onbebouwde ruimte: we vragen ons steeds af hoe deze relatie het functioneren van de stad bevordert.