Door de energietransitie met ruimtelijke, economische en infrastructurele opgaven te verbinden, is in Groningen een bestendige stedelijke transformatie als onderdeel van de next economy dichterbij gebracht. Hoewel de stad zich vanaf 2015 tot een samenhangende Nordic City ontwikkelt, is deze integrale stedelijke benadering geen vanzelfsprekendheid geweest.
Het vraagstuk van duurzaamheid, het afgelopen decennium in Groningen ‘hoog’ op de agenda, is lange tijd benaderd als een verzameling losse opgaven, beantwoord met oplossingen en individuele ingrepen die vooral zijn gericht op het beheer en de verbetering van de bestaande bebouwing. Een uitputtend perspectief op een duurzame stedelijke omslag heeft echter geschitterd door afwezigheid, terwijl de belangrijkste tendensen voor die omslag open en bloot in de narratieven over de ontwikkeling van Groningen besloten liggen.
Groningen heeft zich immers tot een functioneel compacte en op het centrum gerichte, jonge kennisstad van ruim 200.000 inwoners gevormd, met (semi)publieke dienstverlenende, kennis- en onderwijsinstellingen als belangrijkste economische spelers. Geïsoleerd in Noordwest-Europa heeft de stad een onafhankelijk karakter ontwikkeld, met voldoende kansen om aan te haken op landelijke en internationale economische structuren, al is de slagkracht en het ondernemersklimaat van de lokale economie wat onder-gemiddeld geweest.
Maar juist dankzij de geïsoleerde geografische positie en de gemiddeld hoogopgeleide bevolking heeft de stad zich ontplooid tot een hoogwaardig woon-, werk-, voorzieningen- en cultuurcentrum voor de regio, aangevuld met bijzondere woonlocaties, recreatiezones en natuur in het buitengebied. Het compacte Groningen heeft een hoogwaardig voorzieningenniveau, een zorgvuldig ingerichte openbare ruimte en een rijk cultureel klimaat gecreëerd, wat in de afgelopen decennia heeft bijgedragen aan de kwaliteit, diversiteit en aantrekkingskracht van de leefomgeving.
Enfin, de stad is uitgegroeid tot een publiek domein: een compacte, aantrekkelijke woon- en werkstad, gericht op de dynamiek van het centrum, met een goed ontsloten voorzieningenaanbod, bereikbaar voor autoverkeer, maar vooral gericht op openbaar vervoer, fietsers en voetgangers.
Groningen Duurzaam
Wil Groningen daadwerkelijk duurzame ambities in de praktijk brengen, moeten kortom de ruimtelijke, economische en structurerende kenmerken en kwaliteiten permanent in aanmerking worden genomen en worden verbonden met de opgave van een duurzame stedelijke ontwikkeling. De energietransitie laat zich tenslotte niet beperken tot ingrepen of aanpassingen op het niveau van individuele woningen of bebouwing.
Natuurlijk blijven deze ingrepen een noodzakelijk onderdeel van de transitie. Het transformeren van de bestaande bebouwingsvoorraad, het voortbouwen op, aanpassen en vernieuwen van architectuur is altijd een intrinsiek en vanzelfsprekend onderdeel van de stedelijke ontwikkeling geweest.
Maar de overgang naar een volledig duurzaam stedelijk energiesysteem verandert onze levens diepgaand, grijpt in op ons ruimtegebruik en energiegedrag, beïnvloedt onze energievraag, maar bovenal: werpt ons terug naar een tijd waarin de stad zich compact en volgens een zekere continuïteit ontwikkelde. Tijdens de energietransitie neemt onze energievraag af, maar ook de samenstelling van die vraag verandert. Zo hebben we per huishouden minder warmte nodig, maar neemt ook het aandeel energie voor transport in ons totale energiegebruik af.
Kunnen we ons een vervoerssysteem voorstellen dat anders is samengesteld, nieuwe energiebronnen gebruikt en minder op de auto is gericht; een vervoerssysteem dat minder ruimte kost en minder invloed heeft op de directe omgeving?
Het energievraagstuk laat zich niet beperken tot bebouwing of huishoudens, maar overstijgt in feite ook de puur stedelijke dynamiek. Voor het bereiken van een zorgvuldige en afgewogen transitie is een samengesteld pakket van energiebronnen nodig, een combinatie van energieopwekking die de mogelijkheden en oppervlakte van de stad simpelweg te boven gaat.
Wanneer we bijvoorbeeld alle stroom die in de stad wordt gebruikt, laten opwekken door windmolens op land of zee, dan moet hiervoor ruim de helft van de oppervlakte van de stad worden gereserveerd. Gebruiken we zonnepanelen om in deze stroombehoefte te voorzien, dan is zelfs ruim tweeëneenhalf keer de oppervlakte van de stad nodig.
Ook bio-ethanol of bio-diesel creëert een enorm ruimtebeslag als basis voor de energiebehoefte van transport; de benodigde ruimte voor bio-ethanol beslaat drie keer de stad, de ruimte voor biodiesel zelfs het dubbele. En wil Groningen volledig in groen gas voorzien, dan moet het grondgebied van de stad met ruim een factor tien groeien.
Zoals Groningen in nauwe economische, ruimtelijke en infrastructurele samenhang met het ommeland is ontstaan, zo vergt de energietransitie een stadsoverstijgend en regionaal perspectief. De opgave van de energietransitie richt zich op een zorgvuldige samenstelling, afweging en verdeling van uiteenlopende energiebronnen, passend bij de structuur van stad en ommeland en voortbouwend op de kenmerken en kwaliteiten die Groningen in relatie tot de regio hebben gevormd.
De transitie is verbonden met de stedelijke ontwikkeling als geheel en beïnvloedt de compacte en goed ontsloten kennisstad die Groningen inmiddels karakteriseert. Welke opgaven zijn gerelateerd aan de overgang naar een duurzame stad? Kunnen deze opgaven en de transitie elkaar versterken? Kunnen we ons een omslag voorstellen die bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de stad, die de sociaaleconomische structuur versterkt en die de mobiliteit en toegankelijkheid van de regio vergroot
KENNISSTAD
Groningen is in sterke relatie met het landschap van de ommelanden ontstaan en de onafhankelijke economische positie van de stad is altijd nauw verweven geweest met de ontwikkeling van de regio als geheel. Op het snijpunt van landschappen is Groningen gevormd door de ontwikkeling, cultivering en ontginning van verschillende typen landschap: van het zand als stevige basis voor de historische stad, de vruchtbare kleigebieden als fundament voor agrarische ontwikkeling, de veenmoerassen als brandstof voor de industrie en de verwarming van huizen, tot de zeeklei als grondstof voor de kenmerkende rode Groninger baksteen.
In duizend jaar stedelijke ontwikkeling heeft de stad zich van een agrarische, dorpse nederzetting ontpopt tot een bestuurlijk en economisch centrum voor een grote Noordwest-Europese regio. Van de internationaal en overzees gerichte handelsstad in de middeleeuwen ontwikkelde Groningen zich tot exploitant van stadsbezittingen in veen- poldergebieden, tot exporteur van het turfwinning-systeem, tot derde handelsstad van Nederland in de negentiende eeuw, tot het centrum van de graanhandel, om uiteindelijk de diensten- en voorzieningenstad te worden die ze nu is.
In de twintigste eeuw verschoof de economische kernactiviteit definitief van handel en industrie naar dienstverlening en kennis, waarmee de oorspronkelijk internationale, middeleeuwse handelsstad langzaam is getransformeerd tot de meer nationaal georiënteerde diensten- en voorzieningenstad.
Nog steeds is Groningen een echte werkstad. De stad heeft zich ontwikkeld tot kenniseconomie en het aantal arbeidsplaatsen (per duizend inwoners) heeft zich tot ver boven het landelijk gemiddelde ontwikkeld, vergelijkbaar met steden als Amsterdam en Utrecht. Dat Groningen zich tot een kennisstad gevormd heeft, betekent dat de stad jong is en zich snel ‘ververst.’
De stad heeft een economie die vooral is gericht op commerciële zowel als niet commerciële dienstverlening, passend bij de jonge hoogopgeleide bevolking en samen goed voor 95.000 van de ongeveer 130.000 arbeidsplaatsen, zo’n 73%. De meeste werkgelegenheid is geconcentreerd bij een aantal grote werkgevers, zoals de Rijksuniversiteit (RUG), de Hanzehogeschool, het Universitair Medisch Centrum (UMCG), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), de Belastingdienst en de Gasunie; ruim de helft van het aantal arbeidsplaatsen in Groningen is zodoende ondergebracht bij slechts 1% van de bedrijfsvestigingen.
Naast kennisinstellingen en onderwijs hebben de gezondheidszorg, verschillende overheidsdiensten, nutsbedrijven, zakelijke dienstverlening, handel en dienstverlening voor recreatie, cultuur en sport in de loop van de twintigste eeuw een steeds voornamere rol gespeeld. Ook heeft de stad inmiddels, gesteund door ontwikkelingen in de regio, een volwaardige ICT-sector ontplooid en is er in Groningen, dat als centrum voor de regio een hoogwaardig cultureel voorzieningenniveau kent, een aanzienlijke creatieve klasse ontstaan.
Omdat Groningen als kennisstad de beste economische kansen biedt, ook in internationaal verband, is het evident om deze ontwikkeling als cruciaal onderdeel van de energietransitie te formuleren. Kunnen we ons een transitie voorstellen die bijdraagt aan de voorwaarden voor een sterke kennisstad?
Niet alleen een degelijke kennisbasis en een solide economische structuuur zijn hiervoor relevant, ook een hoogwaardige kwaliteit van leven, een vrij toegankelijke en goed verbonden kennisstructuur, een zekere stedelijke massa en diversiteit, als ook een evenwichtige sociale ontwikkeling behoren tot de wezenlijke kenmerken van een stabiele kennisstad.
Natuurlijk is het geïsoleerde en economisch op zich zelf staande Groningen gegroeid in een balanceer-act tussen de kracht van een onafhankelijke, compacte dienstenstad enerzijds en het vermogen om die kenmerken en kwaliteiten anderzijds op een overtuigende manier naar de buitenwereld uit te stralen, naar de regio, de rest van Nederland, zelfs naar het buitenland.
Ondanks de economisch enigszins losgezongen positie van stad en regio zijn er topsectoren in Groningen, Delfzijl en de Eemshaven geclusterd, in de afgelopen decennia uitgebreid met een veelbelovende energiesector. De stedelijke kennisclusters bevinden zich in Groningen in en om het centrum, met de RUG, het UMCG en het ICT-cluster, als ook meer decentraal, met de Zernike-campus en het Martini-ziekenhuis als twee eilanden aan de rand van de stad.
Dat juist de energiesector zich nu zowel in stad als regio heeft gevestigd, met in de Eemshaven een elektriciteits-, productie- en distributieknooppunt en op het Zernike-terrein de Energy Academy en het Entrance-laboratorium, geeft de overgang naar een duurzame stedelijke en regionale economie direct een onontkoombaar karakter. Kunnen we ons een omslag voorstellen waarbij de Nordic City zich ontwikkelt tot energiepoort tussen Noordwest Europa en Scandinavië, passend bij het internationale perspectief dat Groningen historisch gezien eigen is?
Naast een goede economische basis en kennisstructuur heeft de hoge standaard van leefkwaliteit in Groningen beslissend bijgedragen aan het principe van de kenniseconomie. De stad heeft een aantrekkelijk ruimtelijk klimaat gecreëerd, met een bloeiende binnenstad, een bruisend cultuurleven en een hoog voorzieningenniveau, waarin kennisbedrijven en –instellingen elkaar ontmoeten en versterkt hebben.
Juist de hoge kwaliteit van leven maakt stad en ommeland aantrekkelijk voor een hoogopgeleide, internationale beroepsbevolking, ook in Europees perspectief. In onderzoek naar de woonkwaliteit van steden in Europa prijkt Groningen aan de top naast steden als Hamburg, Kopenhagen, Oslo en Zürich, nog boven Amsterdam.
Beoogt Groningen de energietransitie te verbinden met de ontwikkeling en bestendiging van de kenniseconomie, richt de opgave zich dus op de toegankelijkheid van de kennisstad en op het gedifferentieerde maar sociaal harmonieuze karakter van de stedelijke ontwikkeling. De toegankelijkheid van kennisclusters in Groningen verdient onze aandacht, zowel op het niveau van stad en regio als op het netwerkniveau van Europese kennissteden.
Een goede verbinding van kennisclusters en van (Europese) kennissteden onderling vergroot de ontwikkeling en uitwisseling van kennis- en informatiesystemen, noodzakelijk voor een bloeiende kenniseconomie. Ook aandacht voor de stedelijke diversiteit en sociale structuur, van bewoners zowel als economische spelers, versterkt de uitwisseling en interactie van ideeën.
Groningen heeft zich nooit ontwikkeld tot een demografisch en sociaal hard verdeelde stad, maar de licht eenzijdige bevolkingsopbouw kenschetst de stad enigszins als budget economie. Hoewel Groningen een gemiddeld hoog opgeleide bevolking heeft, trekt een groot deel van de hoogopgeleiden weg, waardoor een relatief klein deel huishoudens met hoge inkomens is vertegenwoordigd.
In combinatie met een bovengemiddelde werkeloosheid zorgt dit ervoor dat er relatief veel kinderen opgroeien in uitkeringsgezinnen en dat het besteedbaar inkomen per huishouden een kleine 15% onder het gemiddelde van de grote steden is gedaald. Maar veel belangrijker dan de verdeling van inkomens of het onderscheid in koopkracht is, dat de sociale verschillen tussen en binnen stadsdelen in de afgelopen decennia veel kleiner zijn geworden en dat Groningen als geheel een behoorlijk gemengd en veelzijdig beeld geeft.
Statistisch gezien heeft de plattegrond van de stad zich tot een gemêleerde lappendeken gevormd. Kunnen we ons een transitie voorstellen die bijdraagt aan een sociaal evenwichtige, stedelijke diversiteit; die een gedifferentieerde, verfijnde en gelaagde stedelijke ontwikkeling versterkt
GRONINGEN GROEIT
De jonge, hoogopgeleide en internationale kennisstad waarin Groningen zich ontwikkelt, wordt ondersteund door de uitzonderlijke demografische opbouw van de stad. Groningen kent inmiddels ruim 200.000 inwoners, is de zevende gemeente van Nederland in omvang en is jong, een van de jongste van het land: meer dan de helft van de bevolking is jonger dan 35 jaar. De leeftijdsgroep van 20 tot 25 jaar heeft zich in Groningen maar liefst tot 16% van de bevolking ontwikkeld, terwijl deze groep in Nederland gemiddeld 6% vertegenwoordigt.
En maken we die groep in leeftijd net iets groter, dan is het aandeel zelfs een derde: de groep inwoners tussen de 18 en 29 jaar. Een groot deel van deze jonge bevolking is natuurlijk student; de stad herbergt dagelijks 55.000 studenten, waarvan er zo’n 35.000 in de stad zijn gevestigd. Studenten en jongeren drukken een belangrijk stempel op de huishoudens-statistieken, maar liefst ruim 40.000 van de in totaal ruim 122.000 huishoudens in Groningen bestaan uit alleenstaande jongeren of samenwonende jongerenhuishoudens, bijna een derde.
Historisch gezien is dit aandeel echter een continuïteit; geschat wordt dat de stad al in het midden van zeventiende eeuw voor 30% uit eenkamerwoningen bestond. In tegenstelling tot het aandeel alleenstaande of samenwonende huishoudens is het aandeel huishoudens met kinderen in Groningen laag.
Net als de hoeveelheid een- en tweepersoonshuishoudens heeft de stad altijd veel kleine, gestapelde huurwoningen gekend. De kleine huishoudens in kleine gestapelde huurwoningen bevinden zich natuurlijk voornamelijk in en om het centrum, tot en met de vroeg twintigste-eeuwse stad, daar waar de migratie door de studenten- en jongerenpopulatie structureel hoog is.
De bevolkingsopbouw en -spreiding over de stad laat daarmee een echt stads karakter zien; bijna 60% van de inwoners van Groningen (115.000) woont in wat ‘zeer sterk stedelijk gebied’ wordt genoemd, stadsdelen met een dichtheid hoger of gelijk aan 2500 adressen/km², een veel hoger percentage dan andere middelgrote steden. Binnen drie kilometer van het centrum is 75% van de bevolking gehuisvest en in deze zone bevindt zich 90% van alle arbeidsplaatsen.
Ambieert Groningen een duurzame en programmatisch compacte, op het centrum gerichte stad, moeten de verdichting en continuïteit van het stedelijk weefsel tot de grondbeginselen van de energietransitie worden bestempeld. De nadruk op verdichting en binnenstedelijke ontwikkeling bouwt voort op de herwaardering en opleving van stad en stedelijk leven in de afgelopen decennia, waarmee de continuïteit van de compacte stedelijke structuur weer tot de essentie van de ruimtelijke ordening is gemaakt.
Was de vroeg twintigste-eeuwse stadsontwikkeling nog op een hoge dichtheid gericht (het plan Berlage, nauwelijks een derde van de huidige stadsoppervlakte, voorzag in ruimte voor 300.000 inwoners), de grootschalige, naoorlogse modernistische stedenbouw zorgde voor een radicaal nieuwe, uitgespreide stedelijke ruimte.
Daar waar de vroeg twintigste-eeuwse en berlageaanse stad nog organisch is gegroeid en hebben voortgebouwd op de coherentie van de bestaande stedelijke structuur, daar zijn schaalvergroting, standaardisatie en de vlucht van het verkeer verantwoordelijk geweest voor de verstrooide stad, systematisch uitgewaaierd over het ommeland en losgezongen van de bestaande stedelijke en landschappelijke structuur.
Grootschalige infrastructuur, waterwegen, maar in feite ook grote groenstructuren hebben de twintigste-eeuwse stad een ‘harde’ en vaak ontoegankelijke hoofdstructuur gegeven, een structuur die naast een verbindende functie juist een barrièrewerking heeft gecreëerd.
Kunnen we ons een duurzame stedelijke omslag voorstellen die het geïsoleerde en verkeerstechnische karakter van de harde stedelijke structuren slecht, afgescheiden stadsdelen en groenstructuren beter op het stadsweefsel aansluit en deze daarmee weer overtuigend tot een onderdeel van Groningen maakt? Kunnen we ons een overgang voorstellen die de stedelijke ontwikkeling weer tot een proces van continuïteit in plaats van planmatige orde maakt
MOBILITEIT
De grote rol die infrastructuur en mobiliteit in de ontwikkeling van de twintigste-eeuwse stad hebben gespeeld, loopt natuurlijk parallel aan de grote rol die fossiele brandstoffen hierin hebben gespeeld. Na de industriële revolutie, met ontwikkelingen als die van de stoommachine en later de verbrandingsmotor, ontstonden mogelijkheden die het aanzicht van het stedelijk landschap fundamenteel hebben gewijzigd.
Mobiliteit heeft de twintigste-eeuwse ruimtelijke ordening getekend, ons ruimtegebruik en forensgedrag grondig gewijzigd. En nog steeds bepaalt gemotoriseerd transport een belangrijk deel van onze ruimtelijke wandel. De dagelijkse pendel in Groningen beslaat zo’n 185.000 personen en bijna de helft van het aantal van 130.000 banen wordt ingenomen door mensen die buiten de stad wonen.
Daar komt bij dat naast de 35.000 studenten die in de stad wonen, dagelijks nog eens 20.000 van buiten de stad naar Groningen komen. Ook het openbaar vervoer onderschrijft deze sterke ruimtelijke uitwisseling tussen stad en ommeland. Op een gemiddelde werkdag komen zowel met bus als trein 40.000 mensen de stad in, los van de 50.000 buspassagiers in de stad zelf en de komst van toeristen, dagjesmensen of andere bezoekers.
Toch is niet de auto of het gemotoriseerde vervoer de grote blikvanger in de mobiliteit-statistieken van Groningen. Elke werkdag zijn er zo’n 22.000 fietsbewegingen de stad in en uit, terwijl de fiets in de stad zelf het absolute basisvervoermiddel is. De kwaliteit van de compacte voorzieningen- en werkstad waarin Groningen zich heeft ontwikkeld, is ontstaan met structurele aandacht voor een zorgvuldig verkeers- en fietsbeleid.
Het fietsbeleid is zo’n vanzelfsprekend onderdeel van het compacte Groningen, dat 60% van alle vervoersbewegingen in de stad op de fiets plaatsvindt, een percentage dat nergens op de wereld zo hoog is. In de stad wordt veel ruimte gelaten aan voetgangers en fietsers, de auto wordt selectief toegestaan en aan de randen van het centrum zijn grote parkeerhavens gemaakt, terwijl transferia zorgen voor een goede afstemming tussen het autoverkeer en het openbaar vervoer (P+R).
Bijna de helft van de huishoudens in Groningen bezit zodoende geen auto, veel meer dan het landelijk gemiddelde van zo’n 29%. Dit is natuurlijk het gevolg van het grote aandeel jongeren en studenten in de stad, maar ook de modal split typeert overtuigend het functioneel compacte karakter van de stad: vergelijken we de verschillende vervoersbewegingen naar het aantal personen, dan bestaat de helft hiervan uit fiets-, voetganger- en OV-bewegingen.
Streeft Groningen naar een duurzaam stedelijk milieu, moet ook de omslag van het mobiliteitssysteem onderdeel zijn van de energieopgave als geheel, passend bij de ‘groene’ verkeersstrategie die Groningen inmiddels kenmerkt. De transitie voorziet in de afname van het aantal auto’s, aangezien de piek in het autogebruik volgens het huidig perspectief op duurzame ontwikkeling is bereikt.
En niet alleen het verdichten van steden, de groeiende stadscultuur of het stijgen van de brandstofprijzen leidt tot de afname van het aantal auto’s. Juist de ontwikkeling van elektrische auto’s en hoogwaardig elektrisch openbaar vervoer bepaalt dat we tijdens de transitie vervoer als een dienstverlening zien, in plaats van als een bezit.
Kunnen we ons autogebruik met het principe van auto-delen volledig transformeren? Kunnen we het aantal vervoersbewegingen of het autokilometers per persoon constant houden, laten groeien zelfs, terwijl de hoeveelheid auto’s met 80% afneemt? Een huishouden heeft nu één auto, vaak zelfs twee auto’s voor de deur staan; kunnen we naar een systeem van auto-delen toe dat met één auto zestig huishoudens bedient?
Het kost ons weinig moeite om voor te stellen wat de logische evolutie van ons vervoerssysteem aan gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de stedelijke ruimte. Niet alleen de wegen zelf worden hierdoor met minder auto’s bevolkt, ook de milieucontour rond wegen verplaatst zich, de hoeveelheid parkeerplaatsen neemt af, garages komen leeg te staan, straatprofielen veranderen en de ringweg wordt een ruimtelijk aantrekkelijke stadsboulevard.
Oftewel, een grote hoeveelheid ruimte die nu onderdeel is van de stedelijke infrastructuur, komt vrij voor nieuw gebruik. Kunnen we ons een transitie voorstellen die de mobiliteit vergroot, die de bereikbaarheid en verbondenheid van Groningen verbetert, maar die tegelijkertijd ruimte creëert voor nieuwe ontwikkelingen?
De enorme ruimte die verkeer en infrastructuur in de moderne stad hebben gekregen, heeft de continuïteit en daarmee ruimtelijke functionaliteit van de stad op een aantal plekken doorbroken. Infrastructuur, waterwegen, spoorwegen en een aantal grote groenstructuren zorgen ervoor dat verschillende stadsweefsels niet goed op elkaar aansluiten, elkaar onvoldoende versterken en geen overtuigende ruimtelijke en functionele relatie met elkaar aangaan.
De ringweg van Groningen heeft zich op een aantal plekken als een grote barrière tussen de stad en de directe omgeving opgeworpen. En het doorwrochte naoorlogse vervoersregime legt druk op de ringweg en de singels, ruimtelijke structuren die van oorsprong het verkeerscirculatieplan hebben mogelijk gemaakt, maar die de relatie van het centrum met de wijken en groenstructuren aan de rand van de stad, als ook de stadsranden en het ommeland hebben vertroebeld.
Ongetwijfeld is deze ontwikkeling voor de kwaliteit en ruimtelijke samenhang van de historische en vroeg twintigste-eeuwse stad een zeer positieve geweest. Voor de afzonderlijke buitenwijken aan de stadsrand was de schaal van de ringweg en de groei van het moderne verkeer echter een noodlottige ruimtelijke ontwikkeling. Het is ironisch dat de grote wegen, van levensbelang voor de economische structuur en ontwikkeling van de stad en van grote waarde voor de bereikbaarheid van stad en ommeland, uiteindelijk niet enkel een verbindende functie hebben gehad maar juist nieuwe barrières hebben opgeworpen in de verbinding van verschillende stadsdelen.
Kunnen we ons een energieomslag voorstellen die infrastructuur, waterwegen en slecht ontsloten groenstructuren weer tot onderdeel van het stedelijk weefsel maakt? Kunnen we ons een overgang voorstellen waarin het verkeer minder dominant is en stedelijke verbindingen daadwerkelijk de relatie tussen de binnenstad, de stadsdelen en groenstructuren, alsmede het ommeland versterken