Het vijfde paviljoen, dat inmiddels bekend staat als het Tschumipaviljoen, werd gerealiseerd op het Hereplein. De opgave van het paviljoen bleek geschikt om de ideeën over vorm en functie die Tschumi in de decennia daarvoor had ontwikkeld, in de praktijk te testen. Voor Tschumi was het paviljoen in Groningen, net als voor de overige architecten, één van de eerste gebouwen die hij realiseerde.
Koolhaas had inmiddels een aantal projecten gerealiseerd, Eisenman en Coop Himmelb(l)au eveneens, maar ook voor Hadid was het, naast uitgevoerde interieuropdrachten, haar eerste gebouwde resultaat. Tschumi was bezig met de uitvoering van zijn eerste te realiseren project, Parc de la Villette in Parijs, waarvan hij de prijsvraag in 1983 had gewonnen.
Hoewel Tschumi nog weinig gebouwen realiseerde, ontwikkelde hij in de eerste decennia van zijn carrière een zeer onderscheidende benadering van architectuur. Om deze te begrijpen is het van belang Tschumi als architect zowel als theoreticus te zien. Tschumi is een van de weinige architecten die tevens als intellectueel erkenning heeft gekregen.
Vanaf midden jaren 1970 is hij blijvend geïnspireerd en beïnvloed door teksten van denkers als Barthes, Foucault, maar ook Derrida. En hoewel van het Deconstructivisme, voor zover beschouwd als een voortzetting van de filosofie van Derrida, vaak wordt beweerd dat zij eerder de fundamentele kloof tussen theorie en praktijk bestendigt dan overbrugt, kan Bernard Tschumi bij uitstek worden gezien als een architect die theorie en praktijk op overtuigende wijze met elkaar verbonden heeft.
Tschumi is inmiddels wereldwijd bekend vanwege zijn grote verscheidenheid aan projecten, die theoretische vraagstukken op succesvolle wijze met grootschalige architectuurontwerpen verbindt.
Beslissend in de ontwikkeling van Tschumi waren zijn vroege jaren, waarin hij het begrip orde ter discussie stelde en het architectuurdebat continu probeerde open te stellen voor andere disciplines. Het onderzoekende karakter van zijn vroege werk combineerde hij met docentschappen, zoals hij nog steeds doet.
Afgestudeerd aan de ETH in Zürich verhuisde Tschumi in 1970 naar Londen om aan de Architectural Association te doceren. In 1976 vertrok hij naar New York om les te gaan geven aan het instituut van Peter Eisenman en aan de Universiteit van Princeton, voordat hij begin jaren 1980 visiting professor werd aan de Cooper Union in New York.
Vanaf 1970 had Tschumi zich bezig gehouden met een aantal theoretische exercities, zoals The Manhattan Transcripts en The Screenplays, waarin hij experimenteerde met collagetechnieken en de techniek van filmmontage.
The Screenplays (1976) zijn studies naar architectonische concepten zowel als technieken, die de relatie tussen gebeurtenissen (het programma) en architectonische ruimtes exploreren door gebruik te maken van filmbeelden en een aan de film verwant begrippenapparaat. The Manhattan Transcripts (1976-1981) vervolgen het onderzoek van The Screenplays, in zoverre dat deze de relatie tussen architectuur en gebeurtenissen onderzoeken rond de vraag: what happens in space?
Middels foto’s, diagrammen en architectuurtekeningen probeerde Tschumi een architectonische interpretatie van de realiteit te geven. De transcripten probeerden datgene te verbeelden wat normaal gesproken geen onderdeel van de architectonische representatie vormt, namelijk de complexe relatie tussen ruimte en het gebruik ervan – tussen de set en het script, tussen type gebouw en programma, tussen objecten en gebeurtenissen.
Ze hadden als doel om een ander begrip van architectuur te bieden, waarin ruimte, beweging en gebeurtenis onafhankelijk van elkaar bestaan, maar niettemin onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Gevolg was dat, analoog aan de grondbeginselen van het Deconstructivisme, conventionele architectonische structuren langs nieuwe wegen werden opgebouwd.
Nadat Tschumi in 1983 de prijsvraag voor Parc de la Villette won, trad hij toe tot de wereld van de professionele praktijk en begon hij aan de realisatie van een grote reeks iconische gebouwen, doordrongen van grondig theoretische onderzoek. Zijn verbondenheid met de academische wereld bleef echter bestaan en vormt in veel opzichten de crux van zijn indrukwekkende oeuvre.
In 1988 werd hij decaan van de Graduate School of Architecture, Planning and Preservation aan Columbia University in New York. Zijn toegewijde onderwijsactiviteiten hebben niet alleen studenten van over de hele wereld geïnspireerd maar hebben hemzelf ook altijd een stimulerende omgeving geboden voor zijn voortdurende theoretische en intellectuele reflecties op het beoefenen van architectuur.
TSCHUMI’S FUNDAMENTELE GEDACHTEN
Om de rol van Tschumi binnen het discours van het Deconstructivisme en binnen de manifestatie in Groningen te duiden, ligt een verdere introductie van zijn denken voor de hand. De fundamentele plaats die het denken binnen zijn ontwerpen inneemt, maakt het onmogelijk hieraan voorbij te gaan. Dit is, zoals uiteengezet, ook de inzet geweest van de benadering zoals ontwikkeld in zijn vroege werk.
Tschumi dacht tegen de architectonische orde van zijn tijd in en ging op zoek naar alternatieve definities van architectuur. Een opvallende insteek daarbij was het toejuichen van plezier in de architectuur; hij riep op tot het negeren van verwachtingen en pleitte voor een architectuur die niet alleen uit noodzaak werd geboren maar ook uit het rijk van het plezier putte.
Overeenkomstig de beweegredenen van de Deconstructivisten zocht Tschumi zodoende de grenzen van de rede op, niet om het noodzakelijke en de norm zonder meer te verwerpen, maar om de grenzen ervan uit te dagen, te overschrijden en opnieuw te trekken.
Met diepgravende onderzoeken zoals The Screenplays en The Manhattan Transcripts probeerde Tschumi bij te dragen aan de definitie van architectuur. Tegelijkertijd probeerde hij algemeen geldende, geaccepteerde opvattingen te veranderen door mythes te ontkrachten over conceptualisme, representatie, transparantie en beeld. In een essay uit 1976, getiteld Architecture and Transgression (Architectuur en Transgressie – ‘overschrijding’) heeft Tschumi het helder verwoord: ‘Heel simpel gezegd is transgressie niets anders dan het overwinnen van wat gangbaar maar onaanvaardbaar is.’
Het zoeken naar de grenzen van de discipline werd gevoed door wat Tschumi heeft omschreven als de fundamentele paradox van de architectuur, namelijk: hoe kan architectuur tegelijkertijd een denkbeeld zijn, een product van de geest, als ook een subjectieve ervaring van de reële ruimte? Is er een kortsluiting van de paradox mogelijk, waarbij de zintuiglijke ruimte-ervaring en ruimtelijke praktijk het onstoffelijke concept van de architectuur wordt?
Een grote invloed op dit onderzoek naar de inherente eigenschappen van architectuur is de overtuiging van Tschumi dat er geen eenduidige relatie bestaat tussen vorm en functie – ze hebben uiteraard met elkaar te maken en beïnvloedden elkaar, maar er is volgens Tschumi geen duidelijke hiërarchie of causale relatie.
En in tegenstelling tot het filosofische Deconstructivisme van Derrida, dat uitgaat van de omkering van traditionele hiërarchieën, dient elke hiërarchie in de wereld van Tschumi te worden uitgebannen. Onacceptabel voor hem is dat architectuur altijd lijkt te gaan over totaliteit, synthese, samenhang en harmonie, terwijl een eenduidige norm ontbreek; alles is immers onderworpen aan interpretatie. Voor programmatische logica en architectonische logica is geen gemeenschappelijke basis.
Het kritische onderzoek naar de relatie tussen vorm en functie vormt de kern van Tschumi’s werk; zijn ontwerpen zijn ervan doordrongen. Uitvoerig heeft hij het modernisme en postmodernisme bekritiseerd, omdat deze zich te weinig hebben gericht op functie en programma. Zoals Koolhaas schreef over de wolkenkrabber als condensator van stedelijkheid, zo bejubelt Tschumi het verenigen van programma’s zonder intrinsieke samenhang. Een goed stedelijk weesfel is volgens hem afhankelijk van de interactie tussen mensen, ideeën en objecten.
Zo bezien is zijn onderzoek naar de gebeurtenis als grondslag van de architectuur een vanzelfsprekend uitgangspunt gebleken. Het zoeken naar de grenzen van de discipline en naar de incorporatie van nieuwe disciplines zoals film, filosofie, journalistiek en grafiek past in deze overtuiging.
Maar ook het opnieuw uitvinden van de architectuur van binnenuit is hierin een continu proces gebleken. Tschumi heeft strategieën ontwikkeld waarin hij het programma als basis nam voor het denken over plattegrond, compositie en vorm, om geaccepteerde opvattingen hierover onder druk te zetten. Het beeld, zo oordeelde Tschumi, bestaat vrijwel altijd alleen in combinatie met activiteit.
Ten tijde van de realisatie van het paviljoen voor What a Wonderful World! heeft Tschumi het kernachtig samengevat in het essay Event Architecture: ‘Bij architectuur gaat het evenzeer om de gebeurtenis die plaatsvindt in een ruimte als om de ruimte zelf. In de wereld van vandaag, waar spoorwegstations musea worden en kerken nachtclubs, moeten wij leren omgaan met de uitzonderlijke mate van onderlinge inwisselbaarheid van vorm en functie en met het verdwijnen van traditionele of algemeen aanvaardbare oorzaak-gevolgrelaties, zoals die door het modernisme heilig waren verklaard.’
HET TSCHUMIPAVILJOEN
‘Ik geloof niet dat het mogelijk is, of zin heeft, om gebouwen te ontwerpen waarmee men traditionele constructies formeel tracht te vertroebelen, dat wil zeggen gebouwen die vormen vertonen die ergens tussen abstractie en figuratie in liggen, of ergens tussen constructie en ornament, of die om redenen van esthetiek in stukken zijn gehakt en ontwricht. Architectuur is geen illustratieve kunst, zij illustreert geen theorieën. (Ik geloof niet dat je deconstructie kunt ontwerpen…) Je kunt geen nieuwe definitie ontwerpen van de stad en haar architectuur. Maar je zou wel in staat moeten zijn de voorwaarden te ontwerpen, waardoor een niet-hiërarchische, niet-traditionele maatschappij kan ontstaan – zodat nieuwe relaties tussen ruimten en gebeurtenissen kunnen ontstaan.’
Met deze geloofsbelijdenis uit eveneens het essay Event Architecture lijkt Tschumi afstand te nemen van de principes van het Deconstructivisme. Maar wie verder kijkt dan deze ogenschijnlijk oppervlakkige tegenstelling met wat Tschumi het ontwerpen van deconstructie noemt, beseft dat elke zin het gedachtegoed van het Deconstructivisme ademt.
Niet het verbeelden of verwezenlijken van de Deconstructivistische filosofie behoort tot zijn architectuurbenadering; het Deconstructivisme is de benadering, het is de methode, de grondhouding waarmee de discipline wordt beoefend. Juist omdat de Deconstructivistische filosofie en theorie zich binnen de fundamentele paradox van de architectuur bevinden, kunnen deze slechts bestaan bij de gratie van een onderzoekende en zich continu ontwikkelende werkwijze, die de grenzen van de discipline opzoekt, ten einde ze opnieuw te trekken en opnieuw te verleggen.
Tschumi stelt in dat verband dat het bij architectuur niet om de voorwaarden van het ontwerp gaat, maar om het ontwerpen van voorwaarden, die een verrijkende confrontatie tussen ruimtes en gebeurtenissen voortdurend versterkt.
Met de structurele aandacht van Tschumi voor het functioneren en opnieuw uitvinden van architectuur mag het fascinerend heten dat zijn paviljoen als enige van de vijf nog in gebruik is – niet zoals oorspronkelijk bedoeld, maar wel met een vergelijkbaar programma als expositieruimte. Het paviljoen heeft daarmee een interessant antwoord op de opgave geformuleerd.
Niet alleen is de op zijn kant gezette, glazen galerij in staat gebleken om een directe relatie te leggen tussen de oorspronkelijk gesitueerde videoclips, de architectuur zelf en de openbare ruime; het paviljoen heeft ook bevestigd, zoals Tschumi betoogt, dat architectonische logica niet enkel afhankelijk is van haar programmatische basis, maar op basis van haar eigen merites in staat is om plaats te bieden aan steeds nieuwe stedelijke programma’s en ruimtelijke scenario’s.
En toch heeft de opgave van de manifestatie met het Tschumipaviljoen een nieuw type gebouw gekregen. De ‘Glass Video Gallery,’ zoals Tschumi het paviljoen zelfde noemde, keert het principe van de klassieke gesloten, donkere projectieruimte voor film – een verlengstuk van de huiskamer met reclameborden en neonlicht – letterlijk binnenstebuiten, zodat hetgeen zich normaal in de huiskamer, bar of foyer afspeelt naar de straat wordt gebracht.
De verkenning van de grenzen van het paviljoen leidt in deze tot het programmeren van de openbare ruimte, aangezien het omkeren van de definitie en de vorm van het paviljoen de gebeurtenis van binnen naar buiten verplaatst. De ingreep van Tschumi is daarmee een nadrukkelijk stedelijke interventie. In feite is de openbare ruimte rondom het paviljoen van groter belang dan het paviljoen zelf – of, zoals Tschumi zou zeggen: bij architectuur gaat het evenzeer om de gebeurtenis die plaatsvindt in een ruimte als om de ruimte zelf, het beeld bestaat vrijwel altijd alleen in combinatie met een gebeurtenis.
Dat het beeld enkel in combinatie met programma bestaat, is in het paviljoen tot het uiterste doorgedreven. De Glass Gallery bestaat uit een aantal opeenvolgende ruimtes die slechts gescheiden worden door glazen vliezen. Gevel, muur, dak; alle zijn van glas en dusdanig gekanteld dat hun oorspronkelijke eigenschappen ter discussie lijken te staan.
Naast de programmatische invulling van de ruimte rondom het paviljoen creëert de galerij door het optillen en kantelen ervan bovendien een ruimte onder het paviljoen. Vanwege de volledige transparantie is de stedelijke ingreep die het paviljoen teweegbrengt echter enkel te ervaren wanneer deze wordt opgeladen met gebeurtenissen, al wordt binnenin de notie van het paviljoen verzorgt door het kantelen en overhellen ervan – een aanslag op je evenwichtsorgaan, dat voelbaar maakt wat nauwelijks zichtbaar is.
Het paviljoen functioneert als een ingreep die zichtbaar kan zijn, maar tevens onzichtbaar kan worden. Het is een verlengstuk van de openbare ruimte dat zichzelf en de omgeving met activiteiten kan vullen, maar tevens in de openbare ruimte kan verdwijnen. Het kan dienen om te kijken, maar ook om bekeken te worden.
Meer dan wat ook wordt het paviljoen, dat volledig transparant is en niets bezoedelt, bepaalt door programma en inhoud. Het is nauwelijks te ervaren zonder dat er iets gebeurt. En het mooie is dat je dat in feite niet ziet: zoals Tschumi het ‘ontwerpen’ van deconstructie ontkrachtte, zo belichaamt het paviljoen in feite de grote thema’s van het Deconstructivisme. De thema’s zijn er reeds, maar je ziet ze pas als ze expliciet worden gemaakt.
In zijn uitputtende studie naar het Deconstructivisme, The Architecture of Deconstruction: Derrida’s Haunt, heeft Mark Wigley het scherp uiteengezet: stabiliteit en instabiliteit zijn inherent aan elkaar. Wat de architectuur uiteindelijk doet beven, ‘is precies de wederzijdse afhankelijkheid van deze twee aspecten, in die zin dat de oprichting van een bouwwerk altijd de aantasting van dat bouwwerk maskeert, in de zin dat architectuur altijd beeft, dat juist haar stabiliteit slechts een effect is van de onderdrukking van de onbeheersbare bewegingen tot in haar fundamenten, de bewegingen die haar funderen.’
HET VERVOLG
Hoewel het Tschumipaviljoen het enige is dat nog echt functioneert, staat de videobusstop van Koolhaas nog steeds op het Emmaplein – slechts af en toe verschijnt hierin in een video. De overige drie paviljoens konden helaas niet blijven staan op de plek waarvoor ze gecreëerd waren.
Aanvankelijk was ook geen plan voor afbraak bedacht, maar het paviljoen van Eisenman was onmogelijk te verplaatsen. De paviljoens van Coop Himmelb(l)au en Hadid zijn echter bewaard gebleven en naar (tijdelijke) locaties in de provincie verhuisd. Het paviljoen van Coop Himmelb(l)au bevindt zich inmiddels bij Seaports in Delfzijl, terwijl het paviljoen van Hadid op een industrieterrein van Appingedam is veiliggesteld.
Hoewel de paviljoens nog bestaan, wordt daarmee enigszins voorbij gegaan aan de vraag die onderdeel was van de manifestatie, namelijk: zegt de relatie tussen functie en vorm iets over een mogelijke functiewijziging van de paviljoens en het gebruik ervan na de manifestatie?
De filosofie van Tschumi en de levensgeschiedenis van het Tschumipaviljoen, inmiddels 20 jaar, hebben hierop bevestigend geantwoord: ja, zij hebben een relatie en zij beïnvloeden elkaar, maar de architectonische logica sluit een om het even welk toekomstig gebruik, nooit uit.
Gezien de geschiedenis van de paviljoens en de unieke omstandigheden waarbinnen deze tot stand gekomen zijn, is de vraag gerechtvaardigd of ze niet in samenhang met elkaar een betere bestemming kunnen krijgen, of beter gezegd: of ze een plek in de stad niet een betere bestemming kunnen geven. Ze belichamen een belangrijke episode uit de architectuurgeschiedenis, niet alleen voor Groningen maar ook voor de ontwikkeling van de architectuur en stedenbouw in de laatste decennia van de twintigste eeuw.